Opmerking: Ondanks het vertelstandpunt en de persoonlijke toets gaat dit niet over mij en het zal voor zich spreken dat ik ook geen verdere hints kan geven over wie dit verhaal dan wel gaat. Pogingen zijn hopeloos. Lees en overpeins.
Aan het eind van mijn relaas zal je vast zeggen: “Je had het nooit mogen doen. Je had meteen duidelijk moeten zijn.” En ik weet, dit valt niet goed te praten. Ik vraag dan ook niet om medelijden of enig begrip. Ik ga gewoon, eerlijk en oprecht, vertellen wat en hoe het gebeurd is.
Het was ergens begin april. De eerste lentezon verlichtte de straten en de schapenwolkjes gaven de stralende lucht een speels karakter. Eindelijk was die verdomde paper af. Ik keek op de klok, die 9u55 aangaf, en besloot mijn meesterwerk nu al binnen te brengen. Ja, ik had pas les in de namiddag, maar dit gevoel van opluchting overheerste alles. Met enige trots schoof ik de papieren voorzichtig in mijn rugzak en ging de trap af. De fiets, de tram of te voet? Een mooie ochtendwandeling langs het water, waarom niet. U2 – Beautiful day, in de oren, lentekriebels in de buik.
Dertig minuten later, het leken er vijf, gingen de schuifdeuren voor mijn neus open. Had er niemand gestaan, ik was de gang ingehuppeld; maar nu toch even niet. Mooi, werk binnen, langs de Veldstraat naar de Korenmarkt. Genoeg gewandeld, dacht ik bij mezelf, laat ik deze keer maar de tram nemen. Een beslissing die alles zou omkeren.
Ondanks dat er nog genoeg vrije zitplaatsen waren, stonden er toch een tiental mensen recht. Mensen die liever rechtstaan dan een bank te delen met een vreemde. Ik was ook niet meteen van plan mij naast de dubbelganger van de zakkenman te zetten of naast de de dame wiens haar wel een wasbeurt kon gebruiken. Mijn oog viel al snel op het meisje op de zitbank, net in het midden van de tram. Blik op oneindig, tas op haar schoot. “Les gehad of op weg naar?, vroeg ik.” -”Euhh, ja, gehad, biochemie” zei ze een beetje aarzelend. “Hoeveelste jaar?”. -”1e bachelor Biologie. Jij?” Ik vertelde haar wat ik deed, dat ik net mijn paper had ingediend en in een euforische stemming was. “Reden om te vieren dus”, zei ze. Ik bevestigde. “Toevallig zin om iets te gaan drinken?”.
Nog geen tien minuten later stonden we in de GB en pretendeerde ik een halve wijnkenner te zijn. Stiekem op zoek naar het etiket ‘Chardonnay’, maar dat hoefde ze niet te weten. Haar kot was niet zo groot, maar wel best gezellig. Ik knikte, “mooi”. “Ikea”, zei ze. Naarmate de fles halfleeg was kwam ik meer te weten over haar achtergrond. Vlaams-Brabant, één kleine zus en tennis in haar vrije tijd. Drie uur later kuste ik haar tot ziens. “Wacht!”, riep ze, “je nummer?”.
De dagen erna spraken we regelmatig af. ’s Middags en ’s Avonds. Babbelen, eten, glaasje wijn. Eens een Chablis, dan een Bordeaux. Rood, wit, rosé. Namijmeren over romantische komedies en de voorspelbaarheid ervan. Altijd op haar kot. Ik zou haar wel eens meenemen naar dat van mij, maar zei dat ik het dan eerst nog eens grondig moest poetsen. Het klikte wonderwel, het ging snel, te snel.
Afspraakje zeven eindigde om drie uur ’s nachts. Het weekend stond voor de deur, ik ging uit de deur. “Vang me op, want ik ben moe”, viel ze speels in mijn armen. “Daarom dat ik beter naar huis ga hé.” Afscheidskus en de fiets op naar huis, dacht ik. Traag en zacht drukte ze haar lippen op de mijne. Onverwacht. Op geen enkel moment had ik er aan gedacht dat er verliefdheid in het spel kon zijn. Ik had er nog niet bij stil gestaan of die studente biologie wel iets voor mij was. Er was een band, ze was niet onknap en ik was vrij. Dit flitste door mijn hoofd terwijl ik haar enigszins verlamd stond te kussen. “Tot maandag”. Op de terugweg naar mijn kot heb ik vast het record ’staren zonder knipperen’ gebroken.
Foute beslissing, alweer. Ik had haar eerlijk moeten zeggen dat ik niet meteen iets voelde. Maar ze was knap en spontaan; ik dacht: “het komt misschien nog wel.” Bovendien zou de vriendschap wel eens over kunnen zijn, als ik haar had gezegd dat het ‘misschien beter was om vrienden te blijven’. Maar het gevoel kwam niet en zij liet me steeds verder in haar gevoelswereld doordringen. Ik onmoette haar vrienden. Die vertrouwden me toe hoe gelukkig ze wel was. Ik speelde het spel mee en besefte tegelijk dat ik mijzelf ongelooflijk diep in de nesten had gewerkt. ‘Een spel’, het klinkt onrespectvol, ik was het ook.
Week drie, dinner by candlelight, Spaanse wijn deze keer. Haar kot, over dat van mij had ze het niet meer gehad, laat staan dat ze wist waar ik op kot zat. Het eten was met veel liefde bereid, maar een keukenprinses was ze toch nog niet. De sfeer werd iets intiemer, gelukkig hield ik er deze keer wel mijn hoofd bij. Het is te zeggen, ik herinnerde mij ‘plots’ dat ik de ochtend erna een extra oefeningenles had, die ik zeker niet mocht missen. Ik was al te ver gegaan, nog verder gaan liet mijn geweten echt niet toe. Ik pakte mijn spullen en voelde mijn hart een tel overslaan toen ze zei: “Je kan misschien morgen eens blijven slapen… .” Dat zou de eerste nacht samen worden; dat zegt genoeg, dacht ik. De deur, tot morgen, knuffel en kus. Het zou de laatste zijn.
We hadden afgesproke om 20u30, maar ze wist dat ik niet altijd even stipt was. Ik had de vorige nacht geen oog dicht gedaan en ook de dag was razendsnel voorbij gevlogen. Geen flauw benul hoe ik hier onderuit kwam, en iedereen die ik om raad zou vragen had mij vast niet kunnen helpen. Er was ook niemand van mijn vrienden die van haar bestaan wist. Om 20u10 nam ik de tram. Wit kleedje, bruine botjes en een bruine riem. Dat was de outfit die ze droeg op de bus en die ze vast ook vanavond aan had. 20u17, de halte waar ik moest zijn. Dertig passen van haar deur, ik was nog nooit zo zenuwachtig geweest. Ik wilde aanbellen, maar trok mijn hand terug. Tien minuten te vroeg, zei ik tegen mijzelf. Een kleine wandeling zou mij misschien deugd doen. Het werd 20u30, 21u, 21u15 -een sms-, 21u30, een telefoontje. Ik nam niet op; schakelde zelfs mijn gsm uit. Uren heb ik op die bank aan het water gezeten. Het was al diep in de nacht wanneer ik naar huis wandelde, zoveel gedachten die door mijn hoofd gingen. Ik passeerde langs het huis waar ze haar kot had. In tegenstelling tot de rest van de huizen, was haar licht nog aan. Enige tijd later lag ik in mijn bed.
Sindsdien heb ik haar berichten onbeantwoord gelaten, oproepen laten rinkelen en ‘onbekende nummers’ genegeerd. Mijn voicemail durf ik niet te beluisteren en als ik naar de les ging nam ik een kleine zij-ingang of ik bleef gewoonweg op mijn kot. Mijn schuilplaats waarvan zij de locatie niet kende. Een gelukkig toeval, toch voor mij. Ik voel mij rot, nog steeds, maar ik heb geen recht van spreken. Wat ik haar heb aangedaan is bijna onmenselijk. Zomaar verdwenen uit haar leven. Bijna ironisch dat, hoewel ik aanvankelijk niets zei over mijn ware gevoelens zodat ik haar niet hoefde te kwetsen; ik haar uiteindelijk nog veel harder gekwetst heb dan ik ooit had kunnen denken.
Op een dag kom ik haar, of één van haar vriendinnen, nog wel eens tegen. Die gedachte bezorgde mij al meerdere nachtmerries. Ik kan de tijd niet terugdraaien, tot mijn grote spijt. Ik weet het, deze keer ben ik te ver gegaan. Echt te ver.
spannend verhaal!
thope voor u da ge aar nie tegen komt eh…
Is die opmerking soms onzichtbaar ofzo? :-’(
Hoe bedoel je?
“Ondanks het vertelstandpunt en de persoonlijke toets gaat dit niet over mij…”
ahn, ge zou nie zegge..